Oncomfortabele Liefde

Ervaringen van kwetsbaarheid en liefde kunnen mij raken. Ik krijg er soms zelfs een fysieke reactie van. Kippenvel. Dus als ik er zelfs fysiek op reageren kan dan staat er dus iets op het spel. Mijn menselijkheid is in het geding. De Liefde kijkt mij aan en roept mij. Hier ben ik! En jij, ben jij er ook?

Maar leven uit liefde is geen kleine opdracht. Geen zoetsappige roze wolk achtige toestand. Het is misschien wel onze levenslange en grootste uitdaging. In hoeverre begrijp ik wat het is, liefhebben? Want natuurlijk houd ik van mijn familie en vrienden en van deze gemeenschap en dit gebouw. En van nog veel meer. Maar is de liefde blijvend in mij? En misschien leer ik pas liefhebben op het scherpste van de snede. Als het oncomfortabel, als het ongemakkelijk wordt. In deze ruimte – tussen mijn ongemakkelijke gevoel en mijn verlangen in, wil ik vandaag verkeren. Ik nodig U uit om met mij mee te gaan.

Ik wil U twee situaties voorleggen. Eén van heel dichtbij. Over mijzelf en mijn buren. En een tweede waar we nu allemaal mee te maken hebben en krijgen.

Ik heb in een vorig huis, in mijn ogen, hele vervelende buren gehad. Ik kon wanhopig van ze worden. Ze leefden zo asociaal en ieder voor zich. Rekening houden met een ander stond niet in hun woordenboek. Ik had zo’n ander beeld bij een goede buur en had er last van. Ik werd er boos van. Ik kreeg een enorme hekel aan ze en kon ze wel wat doen.

Ik heb geprobeerd met mijn buurman te praten die direct de aanval op mij opende. Aanval als beste verdediging. Ik stond perplex van zijn reactie. Mij was onrecht aangedaan, ik had toch het recht aan mijn kant? Van de weeromstuit gilde ik terug, ik hoorde mijn eigen wanhopige viswijven stem. Het voelde niet goed. We kwamen zo geen stap verder en ik voelde geen controle meer over mijn gedrag. Opeens gebeurde er iets wonderlijks met mij: ik kreeg een ingeving. Allerlei bijbelverhalen schoten door mijn hoofd. Heb je naaste lief. Keer je andere wang. Het kruisje aan mijn ketting voelde ik bijna letterlijk op mijn huid zitten. Ik werd door mijn hart aangeklaagd.
Midden in het gesprek zei ik hem op een hele rustige toon: `Luister, we zijn elkaars buren. Ik wil liever geen ruzie maken met jou en jij vast ook niet met mij. Laten we het anders proberen op te lossen.’ Ik was zelf wat overvallen door mijn reactie en mijn buurman leek ook verbaasd. We stonden even samen in een andere ruimte. Naast en niet meer lijnrecht tegenover elkaar. Mijn hufterige en asociale buurman kreeg een menselijker gezicht en ik durfde ook meer dan alleen een gekweld slachtoffer te zijn.

Laat ik het niet romantiseren. Het verhaal van mij en de buren was daarmee niet afgelopen en dikke vrienden zijn wij niet geworden, die buren en ik. Maar die ene ommezwaai in het contact opende iets bij mij. Ik werd niet meer opgeslokt door boosheid en onmacht. Je kunt je soms bijna lelijk voelen ervan. Alsof je op je gezicht nare groeven en boze rimpels krijgt van binnenuit .
Ik had een nieuwe ruimte ontdekt en was weer kapitein op mijn eigen schip. De situatie was niet veranderd en ook niet verbeterd maar ik voelde mij vrijer. Bevrijd van mijn eigen vastgeroeste boosheid. Ik was in een nieuwe ruimte uitgenodigd. Een ruimte van liefde.
Het tweede voorbeeld waar ik vandaag over wil vertellen komt vanuit het dorp waar ik woon. Drie weken geleden kregen we bericht dat er 150 asielzoekers een kleine week opgevangen zouden worden in ons dorp.

Ik had een aantal weken ervoor op het Nieuws een uitzending gezien over een wijk in Enschede waar een groot asielzoekerscentrum voor 600 asielzoekers zou komen. Midden in een ruime, mooie en groene woonwijk. Er was groot protest tegen het geplande asielzoekerscentrum. Er sprak veel angst uit de reacties. Angst voor verstoring van de kwaliteit van leven. Angst voor botsingen en verandering. Angst om het comfortabele leven te moeten delen.

Toen werd er een klein groepje mensen geïnterviewd, een kleine minderheid, die zich uitgesproken hadden voor de komst van de asielzoekers. Eén vrouw maakte bij voorbaat indruk op mij: ze sprak heel rustig en duidelijk: `we hebben met een grote stroom vluchtelingen te maken in Europa. Nu komen ze toevallig in mijn buurt wonen en daar heb ik dan mee te dealen. Ze zijn welkom`. Meer had ze niet te zeggen.

De neezeggers uitten ook terechte zorgen. En laat ik vooropstellen: vanuit de leunstoel meepraten is makkelijk. Ik woon niet in het dorpje Oranje met 1400 onder te brengen vluchtelingen op 140 inwoners.
Maar toen ik de mensen uit Enschede op het nieuws hoorde schrok ik ook. Angsten kregen de vrije loop. De onbekende ander, de vreemde was geen broeder maar een bedreiging en dus niet welkom. De toon was gezet. De liefde was al op voorhand vermoord.

Nu was het plotseling mijn leefruimte binnengedrongen. Beelden uit het nieuws werden de onze. En die plotselinge werkelijkheid zette in ons kleine dorp alles op scherp. Erover filosoferen op afstand kon niet meer. Er ontstond discussie in de vriendenkring. Velen zagen hulp en opvang als een vanzelfsprekendheid, anderen oordeelden anders.

Mijn pubers wilden er direct naar toe om met de kinderen te voetballen en te knutselen. Eindelijk gebeurde er weer eens wat in het dorp. Aan tafel hoorde ik dan: `Ik ga na het eten nog even naar de vluchtelingen en daarna een ijsje halen, OK?` Maar zelfs bij hen werd het spannend: er ontstonden over de whatsapp meningsverschillen: zet je fiets maar goed op slot, neem je iphone niet mee. `Belachelijk`, oordeelden anderen weer, je zou zelf maar vluchteling zijn. Ik hoorde mijzelf tegen mijn dochter zeggen dat ze – als ze ging- dat ultrakorte rokje maar beter in haar kast kon laten.

Vrijwilligers liepen tegen voor hen onverwachte dingen aan: Een man die de gedoneerde jassen niet wilde hebben en om een mooie jas vroeg. Geen hem ongelijk, zelf wil ik ook liever een mooie jas. Bij het eten bleken sommigen zoveel op te scheppen dat anderen niets meer hadden. Delen vanuit overvloed is makkelijk, besefte ik.

Mij werd duidelijk dat plaats maken voor een ander, elkaars naaste worden- niet vanzelf gaat. Dunnen lijnen, scherpe randen. Dat naastenliefde vraagt om perspectiefwisseling en ruimte voor elkaar. Inlevingsvermogen. In andermans schoenen gaan staan kan alleen maar als je je eigen schoenen voor even uit kan doen. De ander blijkt vreemd en anders en tegelijk zo dichtbij dat het confronterend is. Ik had het kunnen zijn. En toch liggen onze werelden zo ver uit elkaar. Dat zal andersom net zo gelden.

Toen ik ’s avonds in mijn eigen warme en comfortabele keuken zat- na een middag van in die sporthal zijn- was ik er stil van. De beelden te indringend. Thuis heb ik drie mooie meiden met kansen vanuit een comfortabel bestaan. De middag erop zagen we een grote Syrische jongen van een jaar of 16 door het dorp fietsen op die ene veel te kleine oude kinderfiets uit onze schuur. Twee dagen later vertrokken de vluchtelingen naar de volgende crisisopvang. Ik voelde een overweldigende machteloosheid.

Misschien is dat wel de allerscherpste kant van de liefde. Als het behoorlijk ongemakkelijk en verwarrend wordt, als de Liefde ons brengt in situaties waar we niet om hebben gevraagd, als ons dagelijks leven wordt verstoord en bemoeilijkt. Als onze menselijkheid in het geding is. Als je moet kiezen of delen. Je gezicht afwenden lijkt op korte termijn de makkelijkste optie. Dan blijft alles zoals het is en word je niet geconfronteerd met ingewikkelde vragen. Maar het is misschien uiteindelijk wel de allerslechtste optie en veruit de meest oncomfortabele. Mijn gezicht zal er niet mooier door worden. Mijn hart zal mij blijvend aanklagen. Het zal blijven wringen, ik zal mij nooit moedig en vrij kunnen voelen. Laat staan gelukkig.

Liever ga ik eraan staan als het nodig is. Met mijn beperkte blik en handelen.
Mijn met zorgen en angsten, gevoelens van machteloosheid en verdriet. En word ik blijvend gezocht en gevonden door de Liefde. Die oneindig veel groter is dan mijn hart. Maar die in mij verblijven wil zoals ik in Hem.

17. oktober 2015 by Claartje Kruijff
Categories: Preken | Reacties uitgeschakeld voor Oncomfortabele Liefde